Opvoeden heeft altijd te maken met kijken naar de horizon. Natuurlijk met twee voeten stevig op de grond, maar toch met een blik op de horizon. Met een blik op de samenleving van morgen. En dus met de vraag: in welke samenleving willen we dat onze kinderen opgroeien? Waartoe voeden we op? Voorzieningen voor de jongste kinderen en hun gezinnen zijn de laatste jaren wat al te vaak technisch benaderd. Vanuit de vraag: doe ik het goed? Hoe stimuleer je de ontwikkeling om latere schooluitval te voorkomen? Hoeveel kinderen mogen er per volwassene zijn? Hoe stimuleren we betrokkenheid van ouders met een migratieachtergrond? Dit zijn allemaal methodische vragen. Tegelijk zijn we misschien iets te weinig bezig geweest met de veel tragere vraag: doe ik het goede? Dat is een vraag die wat meer afstand nodig heeft. Een vraag die het nodig heeft om naar die horizon te kijken en na te denken over de samenleving van vandaag en morgen. Die het kleine, het dagelijkse, het pedagogisch handelen verbindt met het grote, wat veraf is, het sociale, het maatschappelijke.

En dat is precies wat dit boek doet.

De samenleving is behoorlijk harder geworden de afgelopen jaren. ‘We moeten de problemen durven benoemen’ is nu veel populairder dan ‘wir schaffen das’. Het wij-zij-denken is zelden zo mainstream geweest. Tegelijk weten we dat onze samenleving pas leefbaar is en blijft wanneer mensen ook minimaal met elkaar verbonden zijn. En dat als we eisen dat ‘zij’ wat meer moeten worden als ‘wij’ als voorwaarde voordat er van verbinding sprake is we onze kinderen veroordelen om te leven in een wereld van achterdocht en angst. Maar jonge kinderen kunnen mensen verbinden. Omdat jonge kinderen steeds weer vragen oproepen. Wat doe ik als mijn kind de tiende keer wakker wordt ’s nachts? Laten huilen of toch maar opstaan? Hoe krijg ik hem in ‘s hemelsnaam van de fles naar de groentepap? Hoe kies je een goede kleuterschool? Is het oké om je eigen moedertaal te spreken thuis? Het zijn vragen waar iedereen een mening over heeft en het bijzondere is dat het bespreken van dergelijke vragen mensen kan verbinden, ook als ze het niet met elkaar eens zijn. Bijzonder is tevens dat uit onderzoek telkens weer blijkt dat heel veel ouders net dát willen, dit soort vragen met elkaar bespreken, eerder dan dat er een expert opduikt die zegt: ‘Zo moet het en nu iedereen graag de neuzen in dezelfde richting’. Tegelijk weten we ook dat ouders dit pas ondersteunend vinden als een aantal voorwaarden vervuld zijn. Dat is wat we leren uit het onderzoek van Naomi Geens: wat die voorwaarden zijn en hoe die te bereiken.

Maar er is meer.

Er zijn niet zoveel plaatsen meer in onze samenleving waar mensen met zeer diverse achtergronden elkaar kunnen ontmoeten. Op de markt misschien, maar daar kunnen we toch moeilijk een beleid gaan voeren. Kinderopvang en kleuterschool zijn van die zeldzame plekken waar ouders uit verschillende lagen van de bevolking en van diverse origine elkaar kunnen ontmoeten. Het woord ‘kunnen’ is belangrijk. Want ook dat leren we uit het onderzoek van Naomi: het is niet omdat mensen fysiek samen zijn op een plek dat ze elkaar ontmoeten. Of dat ze – in hun verscheidenheid – ook gemeenschappelijkheid kunnen ontdekken. Als we die unieke mogelijkheden niet volop benutten, gooien we kostbare kansen weg. Dan lopen we het risico zodanig met het hier en nu en met het hoe bezig te zijn dat we vergeten de kin omhoog te heffen en naar de horizon te kijken.

​ Het is de verdienste van het werk van Naomi dat ze ons die verre blik geeft, maar dat ze tegelijk ook beide voeten op de grond houdt. Ze beschrijft twee mogelijkheden voor voorzieningen voor jonge kinderen die nog maar zelden besproken werden: sociale steun en sociale cohesie. Ze toont ons het belang ervan, maar tegelijk geeft ze ook heel bruikbare suggesties voor hoe we die mogelijkheden kunnen ontginnen. En ze doet dat op basis van stevig onderzoek. Dat is geen kleine verdienste.

Prof. Michel Vandenbroeck
Vakgroep Sociaal Werk en Sociale Pedagogiek – Universiteit Gent